Alex Brenninkmeijer: De kracht van een democratie schuilt in de tegenspraak


2017

Prof. dr. Alex Brenninkmeijer, voorzitter van de raad van toezicht van Stichting Democratie en Media over het snijvlak van journalistiek en politiek, en de gevolgen hiervan voor de samenleving.

Door: Marcel ten Hooven

“Ken ik die?” vroeg Alex Brenninkmeijer zich af toen Stichting Democratie en Media hem in 2011 benaderde voor het voorzitterschap van de raad van toezicht. Zijn onbekendheid met de stichting was geen beletsel om spoedig ‘ja’ op het verzoek te antwoorden. Alleen al de naam van de stichting deed zijn hart voor de publieke zaak sneller kloppen, zegt hij: “De verbinding die daarin wordt gelegd tussen democratie en media spreekt me enorm aan. De journalistiek vervult een essentiële publieke taak die dienstbaar is aan het functioneren van de democratische rechtsstaat.”

Brenninkmeijer was lange tijd rechter, een ambt dat hij combineerde met hoogleraarschappen in Leiden en Amsterdam. In 2005 volgde zijn benoeming tot Nationale Ombudsman. Sinds 1 januari 2014 is hij lid van de Europese Rekenkamer in Luxemburg. Daarnaast bezet hij de leerstoel institutionele aspecten van de rechtsstaat aan de Universiteit van Utrecht. In 2012 haalde SDM hem binnen als voorzitter, eerst van het bestuur en later van de raad van toezicht.

In haar statuten staat dat SDM zich inzet voor een ‘daadkrachtige democratie en voor pluriforme, opiniërende media’, mede om ‘totalitaire verschijnselen in het maatschappelijke en politieke leven te bestrijden’. Beduchtheid voor een opeenhoping van macht in één hand en andere praktijken met een totalitair luchtje is de rode draad in Brenninkmeijers loopbaan. “Een opeenhoping van macht: ik heb er een gruwelijke hekel aan”, zegt hij kortweg. Het zit in de aard van het beestje dat machthebbers altijd naar meer macht streven. Daarom kan een democratie niet zonder wakende instituties die de macht controleren op misbruik van bevoegdheden of willekeur. De rechtsstaat is zo’n institutie, de journalistiek ook.

“De kracht van een democratie schuilt in de tegenspraak”, zegt Brennninkmeijer. “SDM zet zich in voor goed functionerende media en voor de democratische rechtsstaat. Dat zijn thema’s waarmee ik me al heel lang in verschillende rollen – academicus, rechter, Nationale Ombudsman – heb beziggehouden.” Ook de historische oorsprong van de stichting sprak hem aan. Zij komt voort uit Stichting Het Parool, destijds uitgever van de gelijknamige krant. Weerzin van machtsmisbruik en totalitaire ontsporingen staat in de geboortepapieren van verzetskrant Het Parool geschreven.

Zijn engagement met de publieke zaak heeft Brenninkmeijer gevormd tot een kritische waarnemer. Hij is niet zonder zorgen over zowel de democratie als de media. In de sfeer van de democratie doet zich het verschijnsel voor dat politieke partijen, nog altijd de spil van het bestel, hun boodschap aan de kiezers afstemmen op wat het potentiële electoraat wil horen, meer dan op de eigen maatschappijvisie. De verklaring ligt voor de hand. Partijen hebben geen vast electoraat meer, stemmen waarvan ze bij voorbaat verzekerd kunnen zijn, dus moeten ze om elke stem strijden en richten zij hun aandacht vooral op groepen kiezers bij wie ze de grootste potentiële aanhang verwachten.

Brenninkmeijer: “De vraag die het handelen bepaalt, wordt: met welk politiek verhaal en welke onderwerpen kunnen we zoveel mogelijk zetels winnen?”

Bij kranten en omroepen signaleert hij een vergelijkbaar fenomeen. Bij gebrek aan een vaste kern lezers en kijkers weegt het op peil houden van abonnee-aantallen en kijkcijfers zwaarder dan vroeger. Kranten doen lezersonderzoeken: wie zijn onze potentiële lezers en met welke inhoud spreken we hen het beste aan? Bij de publieke omroep hebben de netmanagers meer macht dan ooit om de programmering af te stemmen op de verhoopte kijkcijfers. Kranten en omroepen tasten zo hun eigen autonomie aan. ‘De krant is een heer voor wie je je hoed afzet’: dat was ooit de zegswijze waarin de opvatting was vervat dat de redactie zelf de koers van de krant bepaalde – niet aan de hand van lezersonderzoeken, maar op grond van haar journalistieke kennis en autoriteit én van haar intuïtie voor welke lezers zij schreef.

Maar nu geldt, in de woorden van Brenninkmeijer: “We moeten kiezers hebben! We moeten lezers hebben! We moeten kijkers hebben!” Dat is volgens hem de gemeenschappelijke tendens in de partijen en de media. Het gevolg is dat zij deels ‘marketingmachines’ zijn geworden. Aan dat veranderingsproces zit een kritische grens, zegt hij, waarbij de kernfunctie van politiek en media onder druk komt te staan. Een markt- gerichte, commerciële aanpak, gericht op zoveel mogelijk kiezers, dan wel lezers of kijkers, kan ten koste gaan van taken als kritisch informeren, waarheidsliefde, bewaking van de macht. Dat mogen klassieke taken zijn, overleefd zijn ze daarmee niet, meent Brenninkmeijer.

Een teken aan de wand is wat hij noemt “de versmelting van media en politiek.” Volgens hem is de kritische afstand die de journalistiek tegenover de politiek moet bewaren te klein geworden. Zijn redenering is dat journalisten op zoek naar een primeur, exclusief nieuws om mee te ‘scoren’, al te snel bereid zijn tot een kongsi met politici. Op hun beurt voelen politici dan onvoldoende de waakzame blik van de journalistiek op zich gericht: de disciplinerende prikkel om hun macht niet te misbruiken wordt minder scherp.

Brenninkmeijer: “Dit is echt een van mijn grootste zorgen: de journalistiek is niet kritisch genoeg. In de jacht op dat exclusieve nieuws is de verleiding groot om ook exclusieve afspraken te maken met de bronnen van het nieuws, bewindslieden en Kamerleden dus, voorlichters, spindoctors. Zo ontstaat een afhankelijkheidsrelatie die een journalist eigenlijk niet moet willen. Een soort informatiehandel.”

En dat is wel georkestreerde informatie. De journalist wordt participant in een soort spel, zegt u, ten koste van de afstandelijkheid die hij juist zou moeten betrachten.

“Ja. Met die informatiehandel kan een journalist soms goede sier maken, maar in feite wordt hij daarmee wel slaaf van een systeem en misschien zelfs verslaafd aan dat systeem. Een paar jaar geleden heb ik dit soort dingen gezegd in de Kees Lunshoflezing in Nieuwspoort. Na afloop, bij de borrel, kreeg ik van journalisten te horen: ‘Jij snapt het niet. Jij weet niet hoe dat gaat, hier in Den Haag.’ Ik trek daaruit de conclusie dat een journalist die niet aan het spel meedoet er gewoon niet bij hoort. Kies je een eigen, oorspronkelijke invalshoek, dan tel je in de wereld van Nieuwspoort niet mee.”

Dan weet je niet hoe de hazen lopen.
“Maar ondertussen kun je wel vraagtekens zetten bij het kritisch niveau van de parlementaire journalistiek, zeker die op tv. De politiek dreigt soms een nogal kinderachtig spel te worden en de journalistiek doet daaraan mee. Op tv wordt een lijsttrekkersdebat een hanengevecht dat binnen dertig seconden moet zijn gestreden. Dat heet dan spannende tv. En wat is dan het commentaar van de journalistiek? ‘Het is een verschrikkelijk hanengevecht.’ Ja, wat u zegt…”

Met andere woorden, de kritiek dat de politiek het debat reduceert tot welles-nietes en een zo luid mogelijke verkondiging van het eigen standpunt slaat terug op de tv-journalistiek. Zij kiest volgens u vormen waarin de politici zich als het ware tot dat uitgeklede debat genoodzaakt voelen.

“Ja, het is een systeem. Een systeem dat zichzelf in stand houdt. De rol van de een bepaalt mede de rol van de ander. Dat heeft een zekere fixerende werking: de een houdt de ander ook vast in die rol. Ze zijn beiden deel van dat systeem. Hun gedrag is niet autonoom, het is systeembepaald.”

Bent u niet te somber? Ik ken nog steeds voorlichters van de oude school die zeggen: ‘Ik ben hier om het beleid uit te leggen, niet om de politieke kleur van mijn minister te verdedigen.’ Ik ken legio voorbeelden van politieke journalisten die op onafhankelijke wijze hun vak bedrijven.

“Zeker, ik zie ook goede journalisten die een kritische functie tegenover de politiek uitoefenen, maar over het geheel genomen vrees ik toch dat zij de uitzonderingen binnen dat systeem zijn. Op gemeentelijk en regionaal niveau is de kwaliteitsjournalistiek eigenlijk helemaal weg. Dat is buitengewoon treurig. De oorzaak is vooral een economische. Hoe, en zelfs óf, journalistiek nog wordt betaald is in hoge mate bepalend voor het niveau. In Duitsland is de financiering van de publieke omroep geen enkel probleem. Een debat tussen twee lijsttrekkers duurt daar gewoon nog anderhalf uur. Ik vermoed dat er wel een verband tussen het een en het ander bestaat. In Nederland staat de financiering van de NPO al jaren onder druk. En wat zie je? Politiek moet vooral als amusement worden gebracht, als ware zij grondstof voor de verkoop van reclametijd.”

Dat is toch een dilemma van alle tijden? Kranten zijn tegelijkertijd cultuur- en marktproduct. Dat geeft altijd spanningen. Wim van Norden, een van de oprichters van Het Parool, zei al: ‘Kranten vervullen een  maatschappelijke functie die niet is te verenigingen met een uitsluitend commerciële doelstelling.’ Tegelijkertijd moeten kranten niet afhankelijk willen zijn van subsidie. Trouw weigerde al in de Tweede Wereldoorlog geld van de regering in ballingschap omdat de krant niet wilde leunen op degenen die ze moest controleren. In deze tijd wordt de druk om te commercialiseren steeds groter: bij het leeuwendeel van de kranten nemen de abonneeaantallen en de advertentieomzetten af. Op welk moment moet dan misschien toch de overheid als subsidiegever optreden? Dat blijft een ontzettend lastig dilemma.

“Ik ben er ook niet uit. Een kritisch punt is daar waar kranten een kernfunctie – onderzoek doen en de feiten met elkaar in verband brengen – laten varen omdat iets anders commercieel aantrekkelijker wordt, amusement bijvoorbeeld of scoren met nepnieuws. In Engeland is een groot deel van de kranten onbetrouwbaar, zo plat als een dubbeltje, commercieel. Ze voeren vaak agressief campagne vóór of tegen het een of ander, de Brexit bijvoorbeeld. Ook The Times en The Independent zijn ver weggezakt. Vergelijk dat eens met het medialandschap in Duitsland, waar zulke goede kranten als Die Welt, de Frankfurter Allgemeine Zeitung en de Süddeutsche Zeitung verschijnen, of met Frankrijk, het land van Le Monde, Libération en Le Figaro. Ik ben benieuwd naar de relatie tussen de kwaliteit van die kranten en de manier waarop ze worden gefinancierd. Ik volg daarom met belangstelling financieringsexperimenten zoals die van De Correspondent, met zijn leden, en van The Guardian, waarvan je tegenwoordig tegen betaling ‘vriend’ kunt worden. We kunnen de publieke functie die de journalistiek in een democratie ver vult eenvoudigweg niet missen. Zij is een essentieel deel in het terugkoppelings- mechanisme.”

Terugkoppelingsmechanisme?

“Alle complexe systemen zijn voor hun welslagen afhankelijk van dat terugkoppelingsmechanisme. Dat geldt voor de natuur, voor de medische wetenschap, voor de economie. Met jouw gezondheid gaat het fout zodra dat mechanisme in je lichaam is verstoord en essentiële signalen tussen je organen niet meer doorkomen.

In de economie gaat het met de prijsvorming mis op het moment dat van bovenaf wordt ingegrepen in het proces van afstemming van vraag en aanbod. De democratie is ook afhankelijk van zo’n terugkoppelingsmechanisme: de informatiestromen moeten vrijelijk kunnen vloeien. Het is de kunst dat mechanisme zo krachtig en vitaal mogelijk te maken. De onafhankelijke journalistiek vervult daarin een sleutelrol. Op het moment dat de informatiestroom nog maar één kant uitgaat is dat terugkoppelingsmechanisme onderbroken. Dat is bijvoorbeeld het geval met propaganda, of met nieuws afkomstig van media die onder controle van de overheid staan. In landen als China, Rusland, Turkije is dat aan de orde van de dag.”

Ook nepnieuws ontbeert dat terugkoppelings- mechanisme. Je verzint maar wat. Terugkoppeling naar de werkelijkheid, naar de feiten is niet nodig.

“Dat is zo. Mijn stelling is dat een complex systeem zonder terugkoppelingsmechanisme geen duurzaamheid heeft. Een lichaam waarin dat mechanisme niet werkt zal afsterven, een centraal geleide economie zal het loodje leggen, een totalitair systeem eveneens. In Turkije kan Erdogan het nog wel een tijdje volhouden, maar op den duur zal zijn regime sneuvelen, en dat geldt ook voor dat van Orban in Hongarije en dat van de Partij voor Recht en Rechtvaardigheid in Polen. Waardoor? Doordat de relevante signalen die nodig zijn voor het systeem- onderhoud niet meer naar boven doordringen en verwerkt worden.”

Essentieel voor dat terugkoppelingsmechanisme is dat de journalistiek haar werk met respect voor de feiten doet. Waarheidsvinding kan niet zonder waarheidstrouw. Het zo onversneden mogelijk weergeven en duiden van de nieuwsfeiten is de kerntaak van de journalistiek, schreef de hoofdredacteur van The Manchester Guardian, Charles Scott, al in 1923 in een klassiek geworden essay, met die onovertroffen oneliner: Comment is free, facts are sacred. Niet voor niets sloot Jérôme Heldring destijds zijn allerlaatste column in NRC Handelsblad met dat motto af.

“Het onderzoeksinstituut Ipsos onderzoekt jaarlijks in een groot aantal landen in hoeverre de perceptie die mensen van de werkelijkheid hebben overeenstemt met de feiten. Het verschil tussen het een en ander zegt iets over hoe goed een samenleving is geïnformeerd. In 2017 was een van de vragen in dat onderzoek Perils of Perception: hoeveel procent van de gevangenisbevolking heeft een moslimachtergrond? Het antwoord in Nederland luidde: 51 procent. Het werkelijke cijfer is 19. Op de vraag hoeveel moslims er in Nederland wonen, antwoordden de Nederlanders: 19 procent. Het is 6,9. Dat verschil tussen feit en perceptie is verontrustend. En dan wordt Nederland door Ipsos nog beschouwd als het land in Europa waar de desinformatie het minst heeft toegeslagen.”

Wat zegt dit over de staat van de democratie en de journalistiek?

“Als zoveel mensen een valse perceptie hebben van de werkelijkheid duidt dat op misleiding in de publieke meningsvorming. Ik hoef niet per se voorbeelden te noemen om op de ontsporingen te wijzen die in het verleden het resultaat van misleiding waren. Wat is dat effect op de publieke opinie? Dat de verontwaardiging wordt gevoed, de verongelijktheid, de vrees.”

En valse percepties van de werkelijkheid kunnen de politieke keuze bepalen.

“Voor mij is dat een schrikbeeld: als zoveel Nederlanders zeker menen te weten dat een vijfde van de bevolking moslim is, dan zal dat invloed hebben op de partij die zij kiezen en langs die weg op de politieke besluiten over bij- voorbeeld integratiebeleid of misdaadbestrijding. Suggestie gaat dan lonen in de politiek. In de extreme politieke hoek – Geert Wilders maar ook Thierry Baudet – kunnen ze daarin ver gaan. Ze gaan met die suggestieve retoriek bewust een paar keer over de schreef, want ze weten dat ze potentiële kiezers dan het gevoel geven: ja, bij hen kan ik terecht want zij zeggen wat ik denk. Dat is een erg gevaarlijke draaggolf.”

Maar in de retoriek van alle partijen zit toch een zekere mate van suggestie?

“Ja, suggestie zit in alle retoriek, en dat wordt een probleem wanneer partijen als marketing- machines gaan opereren. Dan zetten ze hun retorische kracht niet zozeer in om de ideeën die ze hebben, hun programma, hun beginselen over het voetlicht te brengen, maar om zoveel mogelijk kiezers binnen te halen. En we hebben al eerder geconstateerd dat het dan aanlokkelijk kan worden mensen aan te spreken die een bepaalde perceptie van de werkelijkheid hebben, ook al is die onjuist. Voor een goede democratische besluitvorming is dat een heilloze ontwikkeling, zeker als er aan die marketing- machines voorlichtingsafdelingen worden gekoppeld die op dezelfde manier te werken gaan. Partijen, departementen, journalisten kunnen zo deel worden van een systeem met een geheel eigen dynamiek. En dat is voor de democratie géén goede dynamiek.”

Hannah Arendt schreef eens: ‘Het ideale subject voor het totalitaire bewind is niet de overtuigde nazi of de communist, maar mensen voor wie het onderscheid tussen feit en fictie niet langer bestaat.’

“In de informatiesamenleving van nu is het nog iets subtieler: mensen worden ingebed in een systeem waarin het verschil tussen feit en fictie niet eens meer merkbaar is. Een systeem zo slim dat je niet doorhebt wanneer waarheid in leugen overgaat, of nieuws in nepnieuws. Kijk naar de uitkomsten van dat Ipsos-onderzoek Perils of Perception. De hele marketinggedachte berust op het creëren van percepties.”

Vandaar dat u het woord ‘marketingmachine’ gebruikt.

“Een van de gevaren is dat een perceptie van de werkelijkheid die afwijkt van de realiteit ook voedingsbodem kan zijn van irreële angsten.”

Mensen kunnen zo gedesoriënteerd raken dat ze zich overgeven aan alles wat een autoriteit als een politicus zegt, hoe grotesk ook. Trump ontleent daaraan zijn macht over zijn kiezers. Een groot aantal Britten blijft geloof hechten aan de glorieuze toekomst die de regering hun voorspiegelt voor het Engeland na de Brexit, hoewel er geen enkel feit is dat zo’n toekomstbeeld rechtvaardigt.

“Dat is een geval van pure misleiding door een regering. In Nederland zie je ook zulke tendensen. In het debat over de EU is misleiding aan de orde van de dag, zoals destijds ook in dat over het Oekraïnereferendum. En toen Wilders scandeerde: ‘Minder, minder Marokkanen!’, mobiliseerde hij mensen op basis van angstbeelden. Op de achtergrond van alles wat we tot dusver hebben besproken speelt mee dat communicatie en aandacht marktproducten zijn geworden. Communicatie dient om ergens de aandacht op te vestigen – en aandacht is geld waard.

Facebook, Google, Twitter konden hoog genoteerde beursfondsen worden dankzij hun economische kernfunctie: de exploitatie van communicatie en aandacht. Wij, het publiek, pluggen ons op dat systeem in, met als gevolg dat we er zelf deel van worden. Alles wat wij in dat systeem ondernemen wordt informatie die 24 uur per dag, van minuut tot minuut, in de communicatiekanalen kan worden gespuid. Daarmee kan ook alles waaraan wij aandacht besteden economisch worden geëxploiteerd. Dat is wel een beklemmende gedachte: wij zijn de uiteinden van de neuronen van Google, Twitter, Facebook etcetera. Op het moment dat ik me aanmeld bij dat systeem kan ik informatie verzamelen. Met die vooruitgang zijn we allemaal gediend, dat is zonder meer zo, maar voor de betrokken ondernemingen telt vooral dat informatie over mij hun kant op gaat en als marktproduct kan worden geëxploiteerd. Dat is een systeem dat ook de politiek kan benutten.”

Wat is de consequentie voor de ‘klassieke’ media: de pers, de omroep?

“De nieuwe communicatiesystemen vormen een soort bypass langs de media. De uiterste consequentie kan zijn dat media gewoon ver- pulveren. Dat ze straks niet meer nodig zijn.”

U schetst een ander soort ‘informatiesa- menleving’ dan die ooit met dat woord werd bedoeld. De hoopvolle betekenis was dat burgers zich ten behoeve van het maken van hun keuzes goed kunnen informeren, dankzij onpartijdige media die de feiten voorop stellen. In de informatiesamenleving die u beschrijft gaat het erom wie meester wordt over de in- formatie, wie de informatiestroom zo beheerst dat hij precies de aandacht krijgt die hij wil hebben. En ‘hij’ kan een ondernemer zijn, maar ook een politicus.

“Anders gezegd, de inzet wordt dat degene die meester is over de informatie mensen in de richting kan mobiliseren die hij wil. Het idee van de democratie is dat mensen in vrijheid hun gedachten vormen, dat zij op basis daarvan hun keuzes maken en dat die keuzes bepalend zijn voor de inrichting van die samenleving. Het omgekeerde ontwikkelt zich, namelijk dat wij de uiteinden van de neuronen van dat nieuwe informatiesysteem worden, zonder dat we dat kunnen controleren of zelfs reguleren. Veel autonomie is er in dat systeem niet voor ons weggelegd.”

Is de conclusie van uw betoog dat kranten die uit waarheidsliefde journalistiek bedrijven of partijen die hun boodschap afstemmen op hun gedachtegoed, in plaats van op een zo groot mogelijk kiezerspubliek, een achterhoedegevecht voeren?

“Die informatiesamenleving die ik net schetste is de sombere versie van het verhaal. Er is ook een andere. We hebben het hier, zoals gezegd, over complexe systemen die enorm verknoopt zijn. Het zijn ook emergente systemen: zonder dat je het verwacht, zonder logische verklaring, schijnbaar uit het niets kan iets nieuws ontstaan. Kleine oorzaken kunnen grote gevolgen hebben. Hoewel Google, Apple, Facebook, Microsoft nu erg groot en machtig zijn, stond ooit een individu of een klein groepje briljante geesten aan de basis dat soort initiatieven die het communicatiesysteem totaal veranderden. Beheersbaar of echt voorspelbaar is dat systeem niet, dus het is ook goed denkbaar dat in een volgende transitie de kernwaarden van de journalistiek en de politiek weer op de voorgrond komen. Het zou me niet verbazen: de waarden van democratie en rechtsstaat hebben zo’n sterke wortel in onze cultuur. Er kunnen in deze sfeer dus ook hele mooie dingen gebeuren.”

Welke rol kan Stichting Democratie en Media daarin spelen?

“Die zal uiteraard bescheiden zijn, maar niet zonder betekenis. Naar vermogen stimuleren we initiatieven die aan de doelstelling van de stichting voldoen: de bevordering van een daad- krachtige democratie en pluriforme, opiniërende media. Door ons als aandeelhouder in te kopen verschaffen we kapitaal aan dat soort initiatieven. Dat is een vorm van ideëel aandeelhouderschap. Dat is een. Ten tweede treden we op als financier van grotere en kleinere maatschappelijke en journalistieke projecten. Daarbij letten we er scherp op welke stem in het democratische debat te zwak klinkt, bijvoorbeeld doordat er geen financieel krachtige organisatie achter staat of doordat hij afkomstig is uit minderheidsgroep- en. Voor zulke stemmen willen we met onze steun een gelijk speelveld met andere creëren. Bij al deze doelen voel ik me goed thuis.”

“In al mijn functies wil ik iets betekenen voor de democratische rechtsstaat, de institutie waarin de fundamentele waarden van de vrije samenleving zijn verankerd. Zo’n functie is mijn toezichthoudende rol bij SDM.

 

Meer lezen uit het jaarverslag? Klik op de foto hieronder.